How to: verwijzingen

In langere teksten – zoals scripties – zijn verwijzingen erg belangrijk. Ze maken een tekst namelijk makkelijker leesbaar. Als je verkeerd verwijst, wordt een tekst echter alleen maar onduidelijker.

Inmiddels heb ik al aardig wat scripties nagekeken, en elke keer blijkt maar weer hoe lastig verwijzen is. (Ik moet toegeven dat ik er zelf soms ook last van heb…) Er zijn drie fouten die bijna iedereen maakt. Lees ze hieronder en zorg ervoor dat ze in jouw tekst niet voorkomen!

 

1. Verwijzen naar dingen die nog niet genoemd zijn 

Je kunt alleen verwijzen naar dingen die je al eerder in je tekst genoemd hebt! Als je bijvoorbeeld de volgende zin gebruikt:

“Mijn collega’s maken veel lawaai.”

Dan kun je in de volgende zin naar ‘mijn collega’s’ verwijzen met ‘zij’:

“Zij hoeven niet te werken, maar ik wel.”

Andersom kun je ‘zij’ niet vervangen door ‘mijn collega’s’. Je kunt dus niet zeggen:

“Zij maken veel lawaai. Mijn collega’s hoeven niet te werken, maar ik wel.”

Het bovenstaande voorbeeld is natuurlijk erg makkelijk te begrijpen. Niemand zal die fout maken, daar ben ik van overtuigd. Maar in langere teksten komt deze fout regelmatig voor, met name met meerdere zinnen tussen de verwijzing en hetgeen waarnaar verwezen wordt. Wees daarop voorbereid!

 

2. Verkeerde verwijswoorden gebruiken 

Ook in het Nederlands hebben we te maken met mannelijke, vrouwelijke en onzijdige woorden. Vroeger had onze taal namelijk ook naamvallen, net als het Duits. En ook al gebruiken we deze naamvallen niet meer, onze woorden hebben nog wel steeds een ‘geslacht’. Hier moet je rekening mee houden als je verwijst! Naar een mannelijk woord verwijst je natuurlijk met ‘hij’ en ‘hem’ en naar een vrouwelijk woord met ‘zij’ en ‘haar’. Bij een onzijdig woord gebruik je ‘het’ of ‘hem’.

Er zijn enkele regels bekend, op basis waarvan je het geslacht van woorden kunt ‘raden’. Zo zegt men bijvoorbeeld dat alle woorden die eindigen op -ing, -heid en -ie vrouwelijk zijn. Het beste is echter om het woord op te zoeken in het woordenboek als je twijfelt. Zorg er ook voor dat je consequent verwijst. Je kunt niet de ene keer met een mannelijk verwijswoord en de andere keer met een vrouwelijk verwijswoord naar iets verwijzen.

 

3. Te veel tekst tussen de verwijzing en het antecedent 

Je moet oppassen dat je niet te veel tekst tussen de verwijzing en het antecedent – hetgeen waarnaar verwezen wordt – zet. Het wordt dan namelijk erg lastig te ontcijferen waar je nou precies naar verwijst. In het volgende voorbeeld is niet duidelijk waar ‘zij’ naar verwijst:

“Mijn collega’s maken veel lawaai. Net als de kippen in ons kippenhok thuis. De hanen, daarentegen, maken nauwelijks geluid. Dat zal vast te maken hebben met het verschil tussen mannen en vrouwen. Maar ja, zij hoeven ook niet te werken, en ik wel.”

De ‘zij’ slaat terug op ‘mijn collega’s’, maar het zou net zo goed kunnen verwijzen naar ‘de kippen’, ‘de hanen’, ‘mannen’ of ‘vrouwen’. Ook dit is natuurlijk weer een erg makkelijk voorbeeld. Maar in langere teksten is het erg vervelend als je iedere keer terug moet zoeken naar hetgeen waarnaar verwezen wordt.

Deze blog heeft een tikkeltje belerende toon, maar ik hoop dat de boodschap duidelijk is. Zoals ik al zei, heb ik zelf soms ook moeite met verwijzingen. Zoek dingen die je niet zeker weet even op. En lees je tekst hardop voor. Op die manier hoor je namelijk heel goed waar je de fout in gaat met je verwijzingen. Succes!

 

Lees hier; typetjes in de bieb