Altijd maar weer die irritante vraag: Is het met een D of een T?

D’s en T’s, het lijkt wel of iedereen dit fout doet. Wat is nu ook al weer dat ezelsbruggetje? En waarom gaat dit nu zo vaak fout?

Misschien komt dit doordat er zo ontzettend veel regels zijn in de Nederlandse werkwoordspelling. Over het algemeen gaat men bij het vervoegen van de werkwoordvormen uit van de stam van het werkwoord. Deze vind je natuurlijk door -en aan het einde van het hele werkwoord te halen. Maar ook hier zijn er uitzonderingen te noemen.

Een voorbeeld hiervan is het woord huizen. Wanneer je de -en van dit woord afhaalt krijg je ‘huiz’. Echter is de stam van dit woord niet ‘huiz’ maar ‘huis’.

Nu gaat dit over het algemeen nog wel goed. Vooral wanneer het op de tegenwoordige tijd aankomt. Iedereen weet natuurlijk dat:
  • Na ik alleen de stam van het werkwoord komt.
  • Na hij/zij/jij de stam +t komt.
  • Na wij/jullie/zij het hele werkwoord volgt.
Ook in de verleden tijd zijn er over het algemeen niet zoveel problemen:
  • Na ik komt stam +te/de
  • Na hij/zij/jij komt stam +te/de
  • Na wij/jullie/zij komt de stam + ten/den

De problemen beginnen vaak pas echt wanneer je de voltooid verleden tijd moet gaan gebruiken. Want is het nu verhuist of verhuisd?

Het is eigenlijk heel simpel: we gebruiken ’t ex kofschip! Vervolgens kijken we naar de stam van het woord verhuizen. Wanneer je hier de -en afhaalt dan houd je het woord ‘verhuiz’ over. De letter Z staat niet in ’t ex kofschip, dus eindigt dit woord in de voltooid verleden tijd op een D.

Het moet dus zijn: Hij is verhuisd. (Het woord verhuist bestaat natuurlijk ook maar dit gebruiken we alleen in de tegenwoordige tijd).

Zolang je dit simpele ezelsbruggetje toepast zit je altijd goed!

Een checklist om je onderzoek makkelijker te maken vind je hier!