De 7 irritantste taalfouten

Iedereen doet het weleens: je typt even snel een mailtje, stuurt snel je collega een sms’je terug of je update snel even je Facebook pagina. Dit alles gaat vaak ‘even snel tussendoor.’ Je let dan vaak niet op spelling. Je hebt zoiets van: ‘ach het is toch maar……..’ en natuurlijk kan niet iedereen perfect Nederlands, maar van de volgende fouten krijgen we toch echt de kriebels. Het is dus van belang om daarop te letten wanneer je weer een keer een e-mail of brief schrijft.
  1. Is het nu hun, hen of zij?

Dit is één van de meeste voorkomende vragen in de Nederlandse taal. Iedereen heeft er wel een mening over, maar het grappige is juist dat het antwoord op deze vraag gebaseerd is op verzonnen regels. In de grammatica is het gebruikelijker om ‘hun’ te vervangen door ‘zij’, maar in spreektaal gebruiken we juist vaker ‘hun’. Het mag dus allebei. Ze worden bijna altijd als onderwerp gebruikt. ‘Hen’ is echter is een verwijzing naar een meervoudsvorm van een onderwerp en is dus nooit een op zichzelf staand onderwerp.

  1. Zei of zij?

Het antwoord op deze vraag is wellicht wat minder moeilijk: wanneer je het over één of meerdere personen hebt gebruik je ‘zij’ en wanneer je de verleden tijd van het werkwoord ‘zeggen’ gebruikt dan is het ‘zei’.

  1. Enigste of enige?

‘Enigste’ is géén Nederlands woord! Het moet dus gewoon ‘enige’ zijn.

  1. Is of eens?

‘Geef is mijn pen aan’. Het woord ‘is’ komt van het werkwoord ‘zijn’ dus kan in deze context nooit voorkomen. Het moet dus duidelijk: ‘Geef eens mijn pen aan’ zijn.

  1. Geen punten, komma’s hoofdletters en andere leestekens gebruiken.

Steeds vaker ‘vergeten’ we leestekens te gebruiken. Dit komt waarschijnlijk doordat we zoveel tijd online doorbrengen waar dit bijna de standaard is geworden. Hierdoor wordt jouw bericht echter een stuk minder duidelijk leesbaar. Je kunt je voorstellen dat dit geen goede binnenkomer is als je bijvoorbeeld een mailtje naar je docent stuurt die jouw scriptie aan het beoordelen is.

  1. Groter als of groter dan?

Er komen steeds meer variaties op deze fout: is het groter als jij of groter als jou? Deze beiden opties kunnen niet! Het moet zijn: ‘groter DAN jij’. Wanneer je de vergrotende trap gebruikt, dan gebruik je altijd het woordje ‘dan’. Wanneer iets gelijkwaardig aan elkaar is (even groot, even klein etc.), dan gebruik je ‘als’.

  1. Me of mijn?

Je hoort bijvoorbeeld: ‘Ik heb me hond uitgelaten’. Dit is fout! Het moet zijn: Ik heb mijn hond uitgelaten’. Dit omdat ‘mijn’ een bezittelijk voornaamwoord is en ‘me’ een voorwerpsvorm van een persoonlijk voornaamwoord. Je verwijst met ‘me’ dus altijd naar jezelf en met het woordje ‘mijn’ duid je een bezit aan.

Is het nu een D of een T?